Een stad bouwen valt of staat bij de verdeling. Laat je iedereen los op één grote berg stenen, dan
krijg je twintig losse huizen die niet bij elkaar passen. Geef je ieder groepje een stuk stad, dan
ontstaat er vanzelf een geheel — en gaan kinderen uit zichzelf overleggen over wegen, hoogte en
kleur.
Begin met de wegen, niet met de gebouwen. Leg eerst een paar straten neer over de
tafel of de vloer. Zodra die liggen weet ieder groepje waar zijn kavel ligt en hoe breed het mag
worden, en dat scheelt achteraf het uit elkaar trekken van halve wijken.
Geef elk groepje een functie, geen gebouw. Woonwijk, winkelstraat, station,
brandweer, park, haven of vliegveld werkt beter dan ‘bouw een gebouw’. Een functie geeft een kind
iets om over na te denken, en zorgt ervoor dat de stad niet uit twintig dezelfde blokkendozen komt
te bestaan.
Spreek één maat af. Eén verdieping is bijvoorbeeld vijf stenen hoog, en deuren komen
op de begane grond. Zonder zo’n afspraak staat er straks een kasteel naast een schuurtje en klopt
het straatbeeld niet.
Bouwen met verschillende leeftijden tegelijk. Hier is een stad sterker dan de meeste
opdrachten: de jongsten bouwen huizen, auto’s en bomen, terwijl de oudsten zich op het station, de
kraan of de brug over de rivier storten. Iedereen werkt aan
hetzelfde eindresultaat, op zijn eigen niveau.
Sluit af met een rondje langs de wijken. Laat elk groepje in één zin vertellen wat er
bij hen staat. Dat duurt vijf minuten, en het is het moment waarop de losse kavels voor iedereen
één stad worden — en meteen het beste moment voor een foto.